Door op 19 mei 1999

GROEN

“Voorzitter,

Bij mijn onverwacht of liever: ontijdig aantreden in deze raad wil ik graag een paar woorden zeggen over mijn opvattingen over het raadslidmaatschap.

Die opvattingen horen bij mijn beeld van de verhouding tussen burger en overheid. Ik vind dat wel eens uit het oog verloren wordt dat de overheid ook bestaat uit burgers. De mensen die in het gemeentehuis overdag verordeningen opstellen, zijn ’s avonds gewoon je buren. Mensen in overheidsdienst zijn gewoon burgers met alleen maar een ander specialisme. Sommige mensen lijken echter van mening dat de overheid zo ongeveer de natuurlijke vijand van de burger is.

Er is wel eens gememoreerd dat gemeenteraden voorheen een wezenlijk andere samenstelling hadden, toen de democratie wat jonger was dan nu, laten we zeggen begin twintigste eeuw. De raadsleden waren volksvertegenwoordigers die voor hun broodwinning iets volstrekt anders deden dan bestuurlijk werk. Het raadslidmaat­schap werd er, net als nu, even bij gedaan naast het dagelijks werk, dat toen beslist meer tijd kostte dan 36 uur in de week. En dat is ook eigenlijk normaal: de bakker bakt, de dokter doktert, de bestuurder bestuurt, ieder z’n vak, en af en toe steek je de koppen eens bij elkaar om te kijken of het nog wel goed gaat.

Tegenwoordig krijg je soms de indruk dat je alleen geschikt bent voor volksver­tegen­woordiger als je bestuurskunde hebt gestudeerd. Met alle respect voor volks­vertegen­woor­digers die dat inderdaad hebben gedaan, geloof ik dat die opvatting geen goed doet aan de toch al grote afstand tussen de burger en de politiek. Als je de dramatisch lage opkomst bij de laatste statenverkiezing ziet, vraag je je af of het nog wel genoeg is om te doen wat de naam al zegt: het volk  vertegenwoordigen.

Toch is dat de  drijfveer waarmee ik hier zit: te willen werken aan het verkleinen van de kloof. Als ik dat uit het oog dreig te verliezen, zal ik daar graag op gewezen worden. En als ik vind dat door het werk in de raad de kloof groter wordt, dan zal ik daarover blijven zeuren.

Dat beloof ik.”

Als ik het woord krijg, na de beëdiging, zo had ik me voorgenomen, dan zal ik de bovenstaande tekst uitspreken. Maar ja, groen raadslid dat ik ben, vroeg ik het woord al, en kreeg het, terwijl iedereen nog stond. Zó lang staan leek me niet pret­tig, dus heb ik de eerste en de laatste alinea aan elkaar geïmproviseerd… Pas als ik het verslag van de raad krijg, zal ik weten wat daarvan terecht gekomen is, maar ik geloof dat ik me niet misdragen heb, die eerste keer.

 

[mei 1999]