Door op 28 juni 1995

LUI

In het rek bij een kiosk in Heraklion zag ik de bovenste helft van een opgevouwen Telegraaf van enkele dagen eerder. De voorpagina werd vrijwel geheel in beslag genomen door de foto van het baanvak waarop drie NS-medewerkers om het leven gekomen waren. In kleur! In de linker bovenhoek van de pagina grijnsde het por­tret van Hennie Huisman bij de kennisgeving van zijn opname in het ziekenhuis “met helse rugpijnen”. Zoveel leed op twee A4-tjes…
Gelukkig had ik van thuis nog De Volkskrant van de zaterdag voor ons vertrek mee gegrist. Ik vond daarin een bijdrage van Mac van Dinther met de schone titel “Lie­ver moe dan lui”, dat de ontwikkelingen in de arbeidsmoraal sinds het begin van de jaren 80 schetst.
Een aardig citaat van Paul Lafargue begeleidt het artikel:
“Een zonderlinge waanzin heeft de arbeidersklasse bevangen van de landen waarin de kapitalistische beschaving overheerst. Deze waanzin is de liefde voor de arbeid, de woedende hartstocht om te werken. In plaats van tegen deze geestelijke afwij­king in te gaan, hebben de priesters, de economen, de moralisten de arbeid heilig verklaard.”
Kernpunten van Van Dinthers verhaal zijn dat de mentaliteit van toen, met een Nederlandse Bond tegen het Arbeidsethos (1982) en discussies over een basisin­komen, is gekenterd in een “comeback van de arbeidsmoraal” en dat de wens om een baan te hebben blijkbaar diep geworteld is.
Hoewel ik me die discussies nog levendig herinner, was ik verbaasd door Van Din­thers vermelding dat al in 1985 een rapport van de WRR over het basisinkomen “binnen een dag aan flarden geschoten” werd. “Een arbeidsloos inkomen paste niet in de nieuwe werkmoraal.” Doordat de economie toen tekenen van herstel vertoon­de, zouden de mensen massaal gekozen hebben voor meer inkomen boven minder werken.
Ik heb zo mijn twijfels over de diepgewortelde wens om te werken. Er mag dan sprake zijn van een herleving van het aloude Arbeid adelt (waaraan nogal eens spot­tend werd toegevoegd dat de adel niet arbeidde) en dan vooral in termen van status en aanzien wegens het hebben van een baan, maar in de loop der jaren heb ik zich nog een andere mentaliteitsverschuiving zien aftekenen.
Loon voor verrichte arbeid was de tegenprestatie voor het leveren van een product; je deed iets en daar kreeg je geld voor. De nadruk ligt nu op het krijgen van geld en als daarvoor een tegenprestatie verlangd wordt, dan moet het in vredesnaam maar.
Aan de onderkant betekent niets doen een bijstandsuitkering die je daartoe dwingt, omdat de vrucht van je eventuele arbeid erop in mindering gebracht wordt. Aan de bovenkant moet je wel een héél goede naam hebben wil men bereid zijn je te beta­len voor niets doen. Daar tussenin is de enige manier om eerlijk aan geld te komen gewoon: werken. Als je meer wil dan een bijstandsuitkering, dan zul je wel moeten.
Werken is een middel, geen doel.

[juni 1995]