Door op 22 mei 2013

OVERDENKEN

In de aanloop naar de Dodenherdenking, die ook dit jaar weer met veel discussie gepaard ging, hoorde ik een paar keer de vraag langs komen “Wat herdenk jij op 4 mei?”

Kort gezegd draaien mijn gedachten tijdens de twee minuten stilte altijd om mijn verbijstering over volkerenmoord. Overdenken is misschien een betere omschrij­ving. Hoe krijg je mensen zo gek om anderen te vernederen, ja zelfs te doden, sim­pelweg omdat ze behoren tot een ander volk, een ander geloof, of een ander ras, ook al zijn het je buren? Een antwoord daarop ligt in een werk van Victor Klempe­rer, ‘LTI – De taal van het Derde Rijk’, uitgegeven in 1946. (Klemperer, die leefde van 1881 tot 1960, was hoogleraar Taal- en Literatuurkunde in Dresden totdat hij wegens zijn Joodse afkomst in 1935 werd ontslagen.)

De manier waarop het Hitler-regime propaganda voerde, analyseert Klemperer als volgt. “Woorden kunnen zijn als kleine doses arsenicum: ze worden ongemerkt ingeslikt, ze lijken geen uitwerking te hebben, maar na een enige tijd wordt de wer­king van het gif fataal.” Hij beschrijft enkele ervaringen die hem overkwamen na de invoering van de draagplicht van de Jodenster, op 19 september 1941, toen de pro­pa­ganda tegen Joden al jaren stelselmatig aan de gang was.

Op straat komt hem een keurig uitziende man tegemoet met een jongetje aan de hand. De man blijft voor Klemperer staan en zegt tegen het jongetje: “Kijk goed naar hem – hij is de schuld van alles.” Als hij een keer in de tram wil stappen, trekt iemand hem van de treeplank met de woorden: “Ga lekker lopen, veel gezonder voor je.” Er stopt een passerende auto, zomaar, in een verder lege straat, en iemand roept hem uit het raampje toe: “Leef je nog steeds, smerig zwijn? Ze moesten je doodrijden…”

Werden Joden door het systeem al niet zachtzinnig behandeld – ontslagen, gedwon­gen te verhuizen, om maar een paar voorbeelden te noemen – hun Jodenster bracht hen dagelijks vernederingen door gewone mensen die Jodenhaters geworden waren.

Klemperer is aan de vernietigingskampen ontkomen en heeft de oorlog overleefd, mede doordat hij met een niet-Joodse vrouw getrouwd was. Door alle ellende heen heeft hij kans gezien een dagboek bij te houden van zijn waarnemingen en analyses, die hij, eenmaal in vrijheid, in zijn boek verwerkte.

Meer nog dan voorheen, ben ik sinds ik het boek las ervan overtuigd dat dit de kern is van de dodenherdenking: dat wij onszelf blijven inprenten dat we ons nooit zomaar, door wie dan ook, door welk regime dan ook, iets laten aanpraten dat zo’n vergiftigende werking heeft.

[mei 2013]