Door op 28 november 1996

TIJD

Tijd is een rekbaar begrip; de absolute waarde die de klok aangeeft, komt vaak niet overeen met ons gevoel. Vijf minuten in de rij bij het postkantoor duren een eeu­wig­­heid; het weekend vliegt om.

Als ik me wel herinner, werden de plannen voor de HSL in Nederland geboren uit de wens om tijd te besparen op de internationale treinverbindingen, te beginnen met die naar Parijs. Bovendien: hoe korter de reisduur, hoe aantrekkelijker de HST als alter­na­tief voor het vervuilende vliegverkeer.

Inmiddels is de discussie verschoven van de vraag of je wel een aparte lijn nodig hebt, naar de vraag hoe je die lijn laat lopen. Blijkbaar is, zonder dat ik er erg in had, aanvaard dat een aparte lijn nodig ís.

Van mij mogen we wel terug naar de eerste vraag en ons bezinnen of die tijdwinst wel alle miljarden waard is die aan de nieuwe spoorlijn op gaan. Er zijn nog wel een paar nuttiger doelen, zoals bejaarden- en gehandicaptenzorg.

Voor het gemak ga ik ervan uit dat zo’n nieuw traject inderdaad alleen maar door de HST gebruikt zou worden. Als je ziet hoeveel moeite de NS heeft om zijn dienstregeling uit te voeren, kun je je gemakkelijk voorstellen hoe gauw de hoge snelheid uit de HST zou zijn. Dan hoef je er dus helemaal niet aan te beginnen. Investeer dan liever miljarden in verbetering van het huidige spoorwegnet ten bate van de forens die nu in het spitsuur de wegen helpt verstoppen.

Voor wie moeten trouwens zo nodig die twintig minuten nog worden uitgespaard? Wie niet met zakelijke doelen onderweg is, zal het toch een zorg zijn of de reis over zo’n 600 kilometer drie uur of drie-en-een-half duurt. Voor wie tijd geld is worden in treinen in toenemende mate voorzieningen getroffen die van reizen een soort telewerken maken.

Misschien is de belangrijkste vraag wel, wat mensen die zo aan die tijdwinst gehecht zouden zijn, dan wel met hun uitgespaarde minuten doen. Iets nuttigers dan langer ouwehoeren in de koffiehoek soms? Maar zelfs als je de gewonnen tijd in geld zou uitdrukken en vermenigvuldigen met een fictief uurloon van de zakelijke gebrui­ker, dan nog valt te betwijfelen of die winst in verhouding staat tot de miljarden die de overheid, wij dus, aan een HSL zouden uitgeven.

Is het dan niet het zoveelste project dat weer een overheidssubsidie aan het bedrijfsleven is? Of móeten we zoveel geld uitgeven om internationaal mee te tellen?

 

[november 1996]