18 januari 2005

LAGER

Het heeft lang geduurd eer de betekenis van het woord ‘inboorling’ echt tot me doordrong. Inboorlingen, dat waren vroeger negertjes in Afrika, koelies in Indië en zo, wel een soort mensen, maar dan van een lagere orde, want ze hadden niets in te brengen tegen de blanke ontdekkingsreizigers en landveroveraars die daar onze beschaving kwamen brengen en en passant ook nog het enige, ware geloof. Daarvoor spaarden mijn katholieke vriendjes zilverpapier, voor de missie, en mijn vriendjes van de zondagsschool ook, voor de zending. Zo zielig, die inboorlingen, geen beschaving…

Het lijkt grappig, achteraf, zo’n karikatuur, maar een inboorling is natuurlijk gewoon iemand die is blijven wonen in de plaats, de streek, het land waar hij geboren is. Dat kan toch iedereen gebeuren? Alleen, krijg die negatieve klank van het woord inboorling er maar weer eens af.

Negatieve begrippen over groepen mensen, ja complete rassen, zetten zich bij mensen blijkbaar vast op een plekje in het onderbewuste, dat voor het verstand moeilijk te bereiken is. Negers zijn dom, dat soort onzin. En denk niet dat het jou niet overkomt.

Jaren geleden hoorde je vaak dat pubers op snelle scooters bij het stoplicht naast je auto kwamen staan, de deur openrukten en mee gristen wat ze pakken konden. Ik leer snel, dus voortaan deuren op slot. Maar waarom overkwam het me dat ik bij het zien van donkere types op een scooter toch even snel controleerde of ik het niet vergeten was?

Buiten ons verstand om leggen we blijkbaar gretig verband tussen raskenmerken en criminaliteit, gemis aan beschaving en dergelijke, waar ons soort mensen natuurlijk nooit last van heeft.

Voor de kerst was ik in de Kreuzkirche in Dresden, waar enkele koren optraden. Een blonde sopraan in het Frans-Duitse Jongerenkoor zong met zo’n zuivere schoonheid dat ik er kippenvel van kreeg. Daardoor ook werd ik herinnerd aan een huiveringwekkend verhaal van Heinrich Böll.

De Duitse commandant van een Durchgangslager in Hongarije selecteert uit de Joden die naar de gaskamers worden gevoerd, degenen die goed genoeg zijn om te zingen in zijn kampkoor. Hij wordt op een dag in verwarring gebracht door een jonge, blonde Hongaarse, lerares Duits en nog knap ook. Zij zingt hem iets voor dat hij kent van vroeger en met zo’n zuivere schoonheid dat bij hem de stoppen doorslaan. Een Jodin, nota bene! In blinde razernij schiet hij haar dood.

Laat ons collectieve verstand ook dit jaar de boel onder controle houden.