Door op 28 maart 1996

DIK

Als ik ’s morgens op de A12 sta, met de neus in de richting Den Haag, ter hoogte van de molenviergang bij Zevenhuizen of zo, dan zie ik vaak de Intercity met 120 voorbij gaan. Zonder jaloezie. En niet alleen omdat ie toch niet stopt in Zoeter­meer, waar ik zijn moet. Voorheen dacht ik nog wel eens hoe ik in die trein had kunnen zitten. Krant erbij, of een boek. Lekker ontspannen.

Van die gedachte ben ik verlost, sinds ik me ervan bewust ben hoeveel tijd ik in de auto heb om van alles te overpeinzen. Deze stukjes voor Rood Houten bijvoor­beeld. Jammer alleen dat ik maar een fractie onthoud van al het moois dat ik bedenk. Het is bijna als met dromen: je droomt hele romans bij elkaar, maar wat je er bij het ontwaken nog van weet is niet waard er papier aan te verspillen.

Gelukkig blijft er van mijn gemijmer onderweg meestal meer hangen. Zo vond ik laatst dat nieuwe auto’s zo sterk op elkaar lijken. De dictatuur van de windtunnel is zo overheersend dat je goed moet opletten om nog verschil tussen merken te zien. Het zou toch langzamerhand efficiënter zijn om voor de hele wereld nog maar enke­le types te laten ontwikkelen in verschillende maten. Die kun je dan naar behoef­te laten bouwen in de bestaande fabrieken. Hoef je geen scheepsladingen vol meer van het ene continent naar het andere te slepen. Het zal wel niet in het markt­denken passen, maar het voorkomt een hoop verspilling.

Over verspilling gesproken, ontwerpers investeren miljoenen om de luchtweerstand van hun topmodellen tot het uiterste terug te brengen. Paginagrote advertenties als het weer eens gelukt is er een promilletje af te krijgen. Lofzang over de brandstof­besparing die dat meebrengt en hoe goed dat wel weer niet is voor het milieu. Nieuw ontwikkelde motor d’r in, groter natuurlijk, want anders passen al die klep­pen er niet in die hem zo zuinig maken. Wat zijn wij van (hier het merk in de vetst denkbare letter) toch oppassend: auto’s bouwen en toch om het milieu denken.

Las ik laatst dat Greenpeace bezig is met de ontwikkeling van een zuinige auto op basis van een standaard Twingo. Toch al een redelijk bescheiden karretje, dacht ik. Met een beetje denkwerk kon er nog meer dan een kwart van het gewicht af en een kleinere motor erin, waardoor het  brandstofverbruik nog eens met de helft afnam. Zoiets. Dat is tenminste aan het milieu gedacht van de onderkant af, al is ook hier het uitgangspunt dat er gereden moet worden. Maar het blijft een klein autootje.

Nee, die topmodellen, dat is eigenlijk wat de consument wil. Met lekker veel ver­mo­gen, dan kun je goed dóórblazen, zelfs met de caravan erachter. Heb je na de eerste proefrit de winst van de lage luchtweerstand meteen alweer verstookt en na een weekje Ardennen de winst van de minder dorstige motor voor de rest van zijn autoleven.

Ik mijmer wat af, hè? In mijn dikke zakenauto van het jaar…

 

[maart 1996]